Doctoraatsbeleid doorgelicht

door Freek Van Deynze

De voorbije jaren had ik het geluk en, bij momenten, het ongeluk om dieper te graven in het Vlaamse doctoraatsbeleid zoals het zich de afgelopen dertig jaar ontwikkeld heeft. Het was een proces met momenten van inzicht en actie, maar evenzeer van vallen en opstaan. Vergeten waar men nu juist mee bezig was om dan later de draad opnieuw weer op te pikken en er toch een coherent, verdedigbaar geheel van te proberen maken. De ambiguïteit of het nu gaat over mijn eigen ervaringen of het ontwikkelde doctoraatsbeleid is opzettelijk. De vlieger gaat voor beiden op.

De afgelopen dertig jaar heeft de Vlaamse overheid sterk geïnvesteerd in de productie van doctoraatshouders. Deze investeringen hebben duidelijk hun effect niet gemist. Jaar na jaar behalen steeds meer mensen een doctoraatsdiploma. Door de klemtoon op het kwantitatieve aspect stijgt in Vlaanderen al drie decennia het aantal afgeleverde doctoraatsdiploma’s. Voor sommigen is de numerieke groei nog niet voldoende. Zij vergelijken Vlaanderen graag met Europese koplopers zoals Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en enkele Scandinavische landen. Daarbij gaan zij echter soms voorbij aan de lokale context, en verliezen uit het oog dat de historisch gegroeide betekenis en waarde van een doctoraat verschilt van land tot land.

Bovendien is de laatste tien jaar deze groei voornamelijk te wijten aan het grote aantal internationale doctorandi[1]. De Vlaamse instroom stagneert. Dit hoeft niet noodzakelijk een probleem te zijn, maar biedt een kans tot reflectie, consolidatie en versteviging van kwalitatieve en inhoudelijke aspecten.

Op deze vlakken is immers nog heel wat verbetering mogelijk. Pijnpunten zijn de aansluiting met zowel de academische als niet-academische arbeidsmarkt, het statuut van bursalen, gebrekkige begeleiding, de kwaliteit van het onderzoek en onderwaardering van andere vaardigheden. Helemaal nieuw zijn deze problemen niet. Meermaals werden bepaalde aspecten ervan aan de kaak gesteld in de media, en ondernamen de overheden en universiteiten pogingen om deze zaken aan te kaarten. Toch is er nog werk aan de winkel. De volgende aanbevelingen zijn gebaseerd op een historische analyse van het beleid, de eigen werkomgeving en gesprekken met vele andere doctorandi, promotoren en beleidsmakers in een veelvoud aan instanties.

Overheid, bezint eert ge begint! En als dat niet meer lukt, nadat ge begint.

De overheid dient na te denken over de finaliteit die het wil bereiken met de investeringen in het doctoraatsbeleid. Daarbij moet verder gegaan worden dan het louter nastreven van een numerieke ouput en ook enkele inhoudelijke aspecten expliciet onder de loep genomen worden. We dienen ons niet blind te staren op het voorbeeld van de koplopers, maar zouden verder moeten  nagaan waar in eigen land de vraag naar doctoraatsgediplomeerden ligt, en in welke sectoren zij een meerwaarde kunnen leveren

Discussies over de meerwaarde van het doctoraat worden doorgaans gereduceerd tot een vergelijking tussen doctors en mastergediplomeerden. In tegenstelling tot die laatsten zouden deze vlotter aan een job geraken en meer verdienen. Dit zegt echter niks over de meerwaarde van het doctoraat vanuit het oog van de maatschappij die deze financiert, maar louter over de persoonlijke meerwaarde van het behalen van een doctoraat binnen die maatschappij. Het lijkt plausibel om ervan uit te gaan dat geschoolde onderzoekers een meerwaarde kunnen betekenen binnen allerlei sectoren, maar paradoxaal genoeg is dit net een kwestie waar bitter weinig onderzoek over bestaat. Over welke sectoren gaat het? Hoe vertaalt deze meerwaarde zich in verschillende sectoren, en is het doctoraat zoals het nu wordt opgevat wel degelijk beste manier om mensen voor te bereiden op het leveren van deze maatschappelijke bijdrage? Is de manier waarop we heden ten dage investeren in doctoraten wel degelijk de beste manier zijn om bepaalde maatschappelijke en economische doelen te verwezenlijken die wij ermee in verband brengen?

Overheid, zorg voor een duidelijk en eerlijk statuut voor doctorandi.

Wettelijk gezien zitten doctoraten tussen een studenten- en werknemersstatuut in. Dit administratief compromis à la belge brengt heel wat onduidelijkheid en nadelen met zich mee.

Het huidig statuut is voornamelijk gebaseerd op een aantal fiscale rondzendbrieven en juridische precedenten die hierrond ontstaan zijn. Het is minder duidelijk wat nu juist de rechten van doctorandi zijn, en bovendien is het niet vanzelfsprekend om deze af te dwingen.

De weinige duidelijke regels die gepaard gaan met het statuut van bursaal worden op regelmatige basis met de voeten getreden. Doctorandi vervullen meer taken ter ondersteuning van de universitaire gang van zaken dan strikt toegelaten. Dit is ook nodig, want anders heeft de universiteit het lastig om haar onderwijs en onderzoekstaken naar behoren te vervullen. Zij vervullen dus een takenpakket en functie binnen de universiteit die vergelijkbaar is met dat van een werknemer. Toch kan de universiteit, noch de promotor, strikt gezien hiërarchische controle uitoefenen. De huidige situatie is er dus een die uitgaat van goodwill van zowel de promotor als de doctorandus. Het is echter naïef om te denken dat dit om een symmetrische machtsrelatie gaat.

Doordat doctorandi tussen student en werknemer invallen is het ook niet duidelijk wie hen als groep kan vertegenwoordigen. In de praktijk blijken zij niet vertegenwoordigd te worden door studentenorganisaties als de Vlaamse Vereniging van Studenten. Vertegenwoordigers van de AAP-WP geleding binnen universitaire beleidsorganen denken voornamelijk vanuit een universitaire en facultaire logica en komen slechts moeizaam tot een overkoepelend beeld. Het zijn voornamelijk de vakorganisaties die het voortouw hebben genomen en het recht hebben geclaimd om doctorandi te vertegenwoordigen en hen te informeren over hun rechten. De meeste kennis en expertise rond het bursaalstatuut en de problemen die ermee gepaard gaan is bij hen te situeren. Zij dienen dus noodzakelijkerwijze betrokken worden bij een mogelijke herziening van het statuut.

De Vlaamse regering en volksvertegenwoordigers dienen de regie te nemen en het Dehousse-statuut, een federale erfenis van de jaren negentig, aan te passen. De toekenning van een werknemersstatuut aan doctorandi zou een goede vooruitgang betekenen en komaf maken met een aantal van de bestaande problemen. Tevens is het ook een erkenning aan de buitenwereld dat een doctoraat moet erkend worden als onderzoeks- en werkervaring en dat er hier sprake is van early career researchers of junior onderzoekers. Het argument dat doctoreren louter een opleiding is dient van de tafel geveegd te worden.

Overheden, weet dat meten niet alleen weten, maar ook vergeten is

Het aantal afgeleverde doctoraatsdiploma’s is een van de indicatoren in zowat alle financiële verdeelsleutels die Vlaanderen rijk is. Kwantitatieve indicatoren hebben zeker hun nut, maar hun aandeel binnen de financiering van de universiteiten is echter te groot geworden. Dit leidt al snel tot goal displacement, oftewel middel-doel omkering. Scoren op de indicator wordt dan het doel, eerder dan het proberen goed doen op wat die indicator zou moeten indiceren.

Het beleid kan hierdoor contradictorisch zijn. De overheid wil bijvoorbeeld dat doctorandi beter inzetbaar worden gemaakt op de arbeidsmarkt, en zet hun hoop hiervoor in op de zogenaamde doctoraatsopleidingen. Tegelijk incentivized ze de productie van doctoraten en publicaties voor de universiteiten. Voor universiteiten en promoteren loont het dus amper om tijd en geld te investeren in cursussen en opleidingen die deze directe doelen niet dienen. In deze context is het bewonderenswaardig dat de overheid gekozen heeft om het OJO-fonds (Omkadering Jonge Onderzoekers) in het leven te roepen, waarbij bij voorbaat vast ligt waar het geld in geïnvesteerd kan worden. De overheid zal dergelijke ingrepen moeten blijven toepassen waar nodig, in plaats van vast te houden aan principes van autonomie en aangestuurde competitie tussen de universiteiten. Het beleid aan de universiteiten is te belangrijk om alleen over te laten aan universiteiten en professoren.

Ook is er soms sprake van bizarre circulaire redeneringen. Zo worden doctoraatsdiploma’s opgenomen in innovatie-indicatoren. Hierdoor gaat men investeren in doctoraatsdiploma’s. Vervolgens kloppen we ons op de borst omdat Vlaanderen gestegen is op de innovatie-indicator. Maar is er werkelijk sprake van toegenomen innovatie?

Universiteiten, zorg voor een degelijke begeleiding. Ook voor de begeleiders.

Het mentaal welzijn van doctorandi kreeg al behoorlijk wat aandacht in de media. Dit ondanks het taboe dat errond heerst en soms bewust in stand wordt gehouden binnen sommige universitaire beleidskringen. Daarbij beroepen ze zich op een ‘if you can’t stand the heat, get out of the kitchen’- mentaliteit. Deze gaat echter voorbij aan een aantal zaken. Vanuit het standpunt van de overheid is het niet te verdedigen dat universiteiten als het ware gewoon belastinggeld en doctorandi naar een vogelpikbord blijven gooien in de hoop dat er wel een paar zullen blijven plakken. Bovendien is het uitermate naïef om te geloven dat het al dan niet uitvallen of lijden onder mentale problemen louter te wijten is aan het individu in kwestie. De context speelt een belangrijke rol, en niet iedereen heeft het geluk in de voor hem juiste context terecht te komen.

De problemen die er zijn hebben ook te maken met een simpele mathematische wetmatigheid. De groei van doctoraten heeft immers nooit tred gehouden met de begeleidende groep. Professoren moeten, naast hun al gevulde takenpakket, ook een steeds grotere groep doctorandi begeleiden. Al dertig jaar vragen universiteiten om meer ZAP-leden, maar waar de overheid mee over de brug kwam was nooit meer dan een druppel op de hete plaat.

Momenteel heerst er een piramide-model aan onze universiteiten. Deze zou formeel gezien geen hiërarchie zijn, maar is dat in de praktijk wel. De hiërarchie wordt geacht gelegitimeerd te worden door een verschil in onderzoeksexpertise.  Maar een goed onderzoeker is niet noodzakelijk een goede onderzoeksgroepleider. Al verwacht men dit de facto wel. Bovendien hebben de meest ervaren onderzoekers vaak ook minder tijd voor het onderzoek zelve.

Universiteiten moeten inzetten op een duurzaam HR-beleid dat de verschillende talenten van personen erkent, waardeert en laat groeien. Deze moet gelden voor doctorandi, post-docs en professoren. De overheid dient het kader te creëren waarin dit mogelijk wordt. Het lineair loopbaanmodel waar trechtergewijs meer en meer individuen afvallen dient plaats te maken voor een gedifferentieerder systeem met een stabiel middenkader. Hierbij zullen ook heilige huisjes gesloopt moeten worden, want nog steeds houden heel wat professoren vast aan het ideaal van de academicus die onderzoek, onderwijs en dienstverlening in één figuur verenigt. In de praktijk blijkt dit echter moeilijker te liggen.

Niet iedereen kan, en moet, in alles even goed zijn. Het zal wellicht nog even duren vooraleer we de ideale superacademicus in een proefbuisje kunnen kweken. Tot dan moeten we het hiermee doen.

Universiteiten, werk beter samen voor een afgestemd interuniversitair kader voor doctoral school courses

De Vlaamse overheid pleit al vijfentwintig jaar voor meer samenwerking tussen de universiteiten voor het inrichten van de doctoraatsopleidingen. De laatste tien jaar zijn al heel wat belangrijke stappen gezet. Toch is hier nog verbetering mogelijk. Momenteel hanteren universiteiten verschillende evaluatie- en terugbetalingssystemen. Dit leidt tot een nodeloze administratieve vermenigvuldiging bij het organiseren van een interuniversitaire Doctoral School Course. Een uniform kader voor interuniversitaire Doctoral School courses zorgt voor minder werk, en verhoogt de kennisuitwisseling en contacten tussen doctorandi van verschillende universiteiten.

Universiteiten en professoren, beoordeel meer dan alleen onderzoeksoutput van doctorandi

De inhoud en betekenis van de doctoraatsinput verschoof in het verleden meer en meer van een dik boek naar een bundeling van artikels. Een portfolio-aanpak zou echter beter zijn. In een dergelijk doctoraatsportfolio zouden ook andere elementen ter beoordeling kunnen ingebracht worden dan louter onderzoeksoutput, en dan nog eens onderzoeksoutput binnen een strak academisch keurslijf.

Zo zou ook wetenschapscommunicatie, breed opgevat, moeten kunnen ingebracht worden, maar ook concrete voorbeelden van andere vaardigheden die aangeleerd en versterk zijn tijdens het doctoraatstraject. Op deze manier erkennen en valoriseren we het werk, de tijd en de moeite die doctorandi steken in andere zaken dan louter het onderzoek. Dit ligt in de lijn van het huidige beleid en de verwachtingen die geuit werden in een parlementaire resolutie[2] en het is te verwachten dat een dergelijke regel- en mentaliteitswijzingen ook positieve gevolgen zal hebben voor de bredere maatschappij. Uiteraard mag dit geen verplichting worden en moet het onderzoekscomponent behouden worden, maar dienen ook andere elementen in de globale evaluatie ingebracht te worden, eventueel ter compensatie van een lagere output in wetenschappelijke artikels.

Internationale doctorandi verdienen meer dan pump ‘n’ dump

Zoals eerder vermeld is de toegenomen doctoraatsoutput de laatste tien jaar voornamelijk te wijten aan de groeiende groep internationale doctorandi. Het is een groep die veel meerwaarde genereert voor de universiteiten, zowel wat betreft het aantal afgeleverde doctoraatsdiploma’s en onderzoeksoutput, maar niet altijd als een volwaardig lid van de Vlaamse academische gemeenschap behandeld wordt. Ze zijn vaker tewerkgesteld op precaire, kortdurende contracten, genieten niet altijd van dezelfde sociale rechten en kunnen minder terugvallen op een sociaal netwerk. Velen van hen zijn ook tewerkgesteld op beurzen van het thuisland, waarvan de koopkracht in Vlaanderen niet te vergelijken is met die van lokale bursalen. Het reeds indrukwekkende obstakelparcours voor het uitbouwen van een academische carrière is voor hen vaak nog lastiger te navigeren, onder meer dankzij de ons-kent-ons mentaliteit en academische inteelt die in bepaalde departementen nog steeds welig tiert. Mensen die naar hier komen om aan een doctoraat te werken verdienen het om beter behandeld te worden dan als goedkope werkkrachten die makkelijk van de hand kunnen gedaan worden wanneer ze hun rechten opeisen of wanneer ze indruk wekken niets meer te kunnen opleveren.

Overheden en universiteiten kunnen werk maken van extra sociale en financiële ondersteuning voor deze doelgroep. Deelname aan officiële universitaire beleidsorganen moet ook mogelijk worden in andere talen dan het Nederlands, zodat ook deze groep makkelijker met eigen stem kan spreken.

Ter conclusie

De universiteiten en overheid hebben de voorbije decennia flink aan de weg getimmerd en een positieve weg ingeslagen. Meer mensen dan ooit tevoren krijgen de kans om zich gedurende een aantal jaren zich te verdiepen in een onderwerp en onderzoeksvaardigheden en ervaring op te doen. Ook komt er enige aandacht voor hun positie binnen de universiteit en de bredere maatschappij, en hoe dezen op elkaar kunnen afgestemd worden.

Het gevaar dat nu echter dreigt is dat men op de lauweren rust, er van uit gaand dat de grote problemen opgelost zijn doordat een aantal nieuwe structuren opgezet zijn en grote declaraties afgelegd zijn. Toch is er nog werk nodig om de ingeslagen weg te verankeren en te doen doorsijpelen tot op de werkvloer. Universitair beleid in het algemeen, en doctoraatsbeleid in het bijzonder is slechts af en toe een kwestie van geconcentreerde politieke aandacht en mobilisatie geweest. Nu de aandacht weer wat aan het wegebben is het aan ons om verder te hameren op de nog bestaande pijnpunten.

[1] https://www.vlaamsindicatorenboek.be/3.2.1/startende-jonge-onderzoekers

[2] http://docs.vlaamsparlement.be/pfile?id=1191378

 

Slow Science interview #2 – an interview with Javier Ruiz-Tagle (4/4)

Author: Sofia Pagliarin

The cultural hegemony of the English language: a way out!

Foto carnetJavier Ruiz-Tagle is an Assistant Professor specialised in housing segregation, housing policies and urban politics and working at the Pontificia Universidad Católica de Chile. He completed his PhD in Urban Planning and Policy at the University of Illinois at Chicago.

In our previous post, we left our discussion suggesting that there might be ways to overcome the cultural hegemony of the English language in academia.

In this post, I summarise Javier’s point of view on how academic production could become ‘multi-lingual’, and how conferences and events could be organised differently to represent and reflect non-Anglo-Saxon cultures and contexts of scientific production.

 

Sofia: Javier, do you have practical suggestions in mind to overcome the hegemonic ‘mono-linguism’ of the English language in the future?

Javier: Yes, well, the key factor here would be technology. A conference should not only be multi-lingual, but language barriers should ideally be overcome. So that’s why I don’t believe there can be a lingua franca – not even Esperanto – but that there should be many at the same time.

For instance, at a conference, everybody should be able to speak in whatever language they want (at least the 7 most spoken in the Global South: Mandarin Chinese, Indi, Arabic, Spanish, French, Portuguese and English). In an exercise of imagination, for my ideal conference, the name tag should also include the native spoken language of the person, and everybody would go around with his/her smartphone and set the language of that person to communicate with each other. We could talk to our smartphones and then let the app translate to the language of the person we are talking with – that’s even already possible today. Or when speakers are presenting their papers or talking at a plenary, the content of their speech would be translated simultaneously in several languages on the screen, so that people can read it in their own languages. Another thing would be to make conferences more virtual – the ones who can make it to conferences in the Global North from the Global South are just the privileged – because of the cost of the travel, but also because they are the ones who can actually communicate in English.
Sofia: So a sort of not multi-lingual, but ‘post-linguistic’ conference?

Javier: In a way, yes. Technology can really help us overcome linguistic barriers – maybe even in the next few years, and I think for instance that Google could be interested in showing off its products during a conference – that’s why I say we should transition to a type of communication that does not necessarily flow into and through the English language.
Sofia: …A transition?

Javier: Yes. So we could in the future have a conference in the Global South where people can talk in Spanish, Portuguese, French, Indi, Chinese, Arabic, English, but without feeling ‘less than’ the English-native speakers just because they don’t know or command English as it is expected nowadays, for instance, because they could not access to a certain type of (elite) education. Of course it’s another thing when it comes to the translation of a paper – but for spoken English I think we already have the technology to overcome its use in the near future.
Sofia: But don’t you think that we would then give technology a huge amount of power? We would let technology translate our words without us having any control on this process of translation.

Javier: Yes, that’s also true, but what we would gain from the possibility to speak in our own language would be much larger than what we would lose. It’s a trade-off.
Sofia: What else could be done to overcome the hegemony of the English language?

Javier: Well, another thing I am working at the moment is to build a network of scholars from the Global South regarding urban topics – for instance from other countries in Latin America, but also from South Africa, Lebanon, India and China. The establishment and expansion of this network over time would be extremely important to overcome the Anglo-Saxon-based networks where our knowledge about the Global South is conveyed (which means, not passing through London to have exchanges with other places in the Global South).

An additional thing is – although it’s not my favourite – to publish both in English and in Spanish (or Portuguese), for instance. Then you increase the citations, and hence the journal’s impact factor , by increasing the audience the journal reaches to. But of course there are also resistances – many would just like to keep writing only in Spanish or Portuguese, or are against translations, because they argue that even the best translations are never like the original texts. I think the same happens in France.

In my point of view, I would be more than happy to loose something in the translation of a book or an article if that knowledge can be disseminated more broadly to other audiences. It’s a trade-off, like the one about technology we were discussing previously.

Sofia: But some journals for instance are already translating into French, Spanish or Chinese the abstracts of articles written in English.

Javier: Yes, but this does not mean that they cite it, and make their impact factor increase. For instance, many English-speaking scholars in urban studies writing about Latin America do not cite literature written in Spanish or Portuguese . They cite other scholars who are like them, and who write about Latin America. As a consequence, we from Latin America cannot share our knowledge beyond the ‘language barrier’ set through the English language, nor get recognised for the knowledge we produce.

Therefore, it is not contemplated that there might be a knowledge about Latin America that is different from the view that the Global North has about this area of the Global South. For me it’s clear that any study about Latin American should at least be in three languages – Spanish, Portuguese and English.
Sofia: Thanks a lot Javier for sharing all this with us!

Javier: Thanks to you.
Disclaimer: The views and opinions expressed in this article are those of the authors and do not necessarily reflect the official policy or position of Slow Science.

 

Slow Science interview #2 – an interview with Javier Ruiz-Tagle (3/4)

Author: Sofia Pagliarin

The cultural hegemony of the English language: the lock-in

Foto carnetJavier Ruiz-Tagle is an Assistant Professor specialised in housing segregation, housing policies and urban politics and working at the Pontificia Universidad Católica de Chile. He completed his PhD in Urban Planning and Policy at the University of Illinois at Chicago.

In our previous post , Javier and I talked about the asymmetry in academic production, which is dominated by (generally native) English speakers, even when topics are about other cultures and contexts.

In this post, we focus more on how we got to this point – that English has become the language we have to use in academic production and communication.
Sofia: Javier, ok, that’s a fact: the English language is culturally hegemonic.

Javier: Yes.

Sofia: But in the past, in Europe, we had Latin, then French, then German as a ‘common language code’ or ‘passpartout language’ across countries, for commerce, trade, science and literature, and historically there have always been hierarchical ‘power centres’. Now there is English and London, as you said… so why is this necessarily a problem?

Javier: The use of English as a hegemonic language is not a problem per sé, but its consequences are a problem. If we restrict our discussion to scientific production, and within it to the social sciences and specifically to urban studies, which is my field of expertise, it is undeniable that academic production is asymmetrical. It is a North-South relationship, not South-North. I mean, if English would be such a lingua franca, as you say, the Global South would contribute equally or similarly to scientific production. But this is not the case.

Sofia: Can you tell me more about this asymmetry?

Javier: Sure. Let’s start from acknowledging that in the world the most spoken language is Mandarin Chinese. Then we have Spanish, and at the third place we find English. It is clear that the role of English as a lingua franca – as you call it – isn’t neutral, but that it is related to specific path-dependent processes and lock-ins whose persistence is inevitably linked to questions of power and history.

The hegemony of the English language does not stem from its numerical hierarchy – as it is the third most spoken language – but of the specific historical process that made the English language gain a certain status that is now difficult to change. Basically the supremacy of English is a consequence of the influence of the British Empire from the 18th century, and US neo-colonialism since the mid‐20th century.

The use of language is not neutral – the consideration of the English language as a so-called lingua franca is a false universalism. For instance, when in a book the author refers to ‘the city’, it is clear that the author has in mind the US or the European city model.

Therefore, the use of the English language is an aspect of a cultural hegemony that has consolidated over time. It didn’t get to that hegemonic position by accident.

Sofia: Are you saying that all academic production is linguistically biased?

Javier: Yes. Hegemony has a hierarchical structure, which in this case is organised not only around the use of a certain language, but also through ‘centres of knowledge’, for instance in London, and then of course through journals, catalogues, impact factors, and so on. Again, the US fought its ideological battle after World War II also through science and scientific practices. The scientific dominance of the US was grounded on a positive feedback loop: first, the larger the involvement of scholars (directly or indirectly) in Anglo‐Saxon academia, the more consolidated its reputation and hence, second, the higher the attraction for scholars to study, research and publish in English. Third, as a consequence, Anglo‐Saxon academia becomes more important, as well as the use of the English language. Of course, the larger the predominance of English, the more the academic audience gets involved in Anglo-Saxon academia, so the loop begins again.

Sofia: And in what other ways is the cultural hegemony of the English language played out in your own experience?

Javier: For instance, the fact that scholars from the Global South have to make an extra effort. This goes of course also for those scholars in the Global North whose native language is not English. They also have to make an extra effort.

But what I often tell to my students is that, as critical scholars in urban studies, we have to do four-times the effort of a native English speaker. This is because I try not to give translated texts to my students. They should learn to access books and article written in English on their own. This is because I once took the 300 keywords in the leading journal for urban studies in Latin America – and translated those words into English. I searched for those keywords in academic catalogues and the result was that those keywords in English appeared 11 times more on average than they did in their Spanish version. So if I would show my students only academic literature in Spanish, I would basically be hiding from them 90% of the knowledge in urban studies.

So we in the Global South have to make four different efforts: we have to be acquainted with mainstream theories and also critical theories of the North – so that’s already two efforts – and also with mainstream and critical theories of the Global South – so that’s the other two efforts. But despite that – we aren’t even recognised for it. The hegemony of the English language is so powerful that they treat you differently if you cannot properly speak in English. This is discrimination based on language.

Sofia: So how shall we change this system? Is there a way out?

Javier: Yes, I think there is. The first step is to recognise that there is not only one lingua franca, but many. And conferences and events can and should be organised differently, and knowledge communicated differently as well.

Disclaimer: The views and opinions expressed in this article are those of the authors and do not necessarily reflect the official policy or position of Slow Science.

Opinie – Europese subsidies voor wapenonderzoek (be)dienen vooral militaire industrie

Nieuw opiniestuk van Slow Science in Mo*

Europese subsidies voor wapenonderzoek (be)dienen vooral militaire industrie

Vandaag, 27 juni, lanceren bezorgde wetenschappers en vredesorganisaties het Europese initiatief researchers for peace. Meer dan 700 onderzoekers uit 19 EU landen roepen hun collega’s op om zich uit te spreken tegen een Europees militair onderzoeksprogramma, dat donderdag en vrijdag op de agenda staat van de Europese regeringsleiders.

Met het Slow Science-netwerk ijveren we voor open, democratisch en duurzaam wetenschappelijk onderzoek. De huidige Europese plannen staan haaks op deze waarden.

Met de lancering van de “Preparatory Action on Defence Research” zette de Europese Unie in 2016 de eerste stappen naar het uitwerken van een Europees militair onderzoeksprogramma. De Europese Commissie heeft plannen voor een Europees Defensiefonds waarbij de komende jaren miljarden euro naar onderzoek en ontwikkeling van nieuwe wapens moet gaan. Uit een recent rapport van Vredesactie blijkt dat de wapenlobby een bepalende invloed heeft gehad op het proces dat leidde tot deze beslissing. Zoals te verwachten zijn de plannen dan ook op maat gesneden van de wapenindustrie.

De Europese Commissie stelt het Europees Defensiefonds voor als hét antwoord op de nood aan een Europees veiligheids –en defensiebeleid. Maar de EU slaat een belangrijke stap over: bepalen wat voor beleid ze voor ogen heeft. Dat is een politieke vraag. Pas als die beantwoord is, kan men de verdere vraag stellen hoe dit beleid het beste in praktijk wordt gezet. Hiervoor is kennis nodig, waar wetenschappelijk onderzoek een bijdrage kan leveren. Het soort kennis dat men hiervoor nodig heeft, is niet alleen militair van aard, maar ook economisch, sociologisch (en afhankelijk van het antwoord op de eerste vraag, ook ecologisch).

Het is alsof men de auto-industrie zou vragen om een mobiliteitsbeleid uit te werken voor Europa.

Wat men nu echter ziet is een compleet gebrek aan politieke visie. Iedereen lijkt het er over eens te zijn dat er een Europees veiligheidsbeleid moet komen, maar niemand stelt zich de verdere vraag wat dit beleid dan zou moeten inhouden. Het wetenschappelijk-technologisch onderzoek dat in de pijplijn zit, is bovendien ook niet van die aard dat het kennis oplevert die bijdraagt aan het beter uitvoeren van een politiek beleid of helpt in het uittekenen van ervan. Het vertrekt eerder van de aanname dat militair onderzoek door de privéindustrie het enige mogelijke antwoord is. Het is alsof men de auto-industrie zou vragen om een mobiliteitsbeleid uit te werken voor Europa. Uiteraard zal het “ideale” beleid er dan uit bestaan om te investeren in wegenbouw en geld te pompen in research & development uitgevoerd door de industrie zelf.

De belangen van de militaire industrie

De details van de financiering tonen bovendien hoe de huidige plannen enkel de belangen van de militaire industrie dienen. De EU financiert het onderzoek voor 100 %. De industrie zelf hoeft dus geen financiële bijdrage te leveren, maar krijgt wel de volledige intellectuele eigendomsrechten op de ontwikkelde technologie. Onderzoek houdt altijd een risico in: verwachte resultaten blijven soms uit, experimenten kunnen mislukken.

De samenleving betaalt de kosten van het risicovolle onderzoek, eventuele winsten worden volledig opgestreken door privébedrijven.

De motivatie die vaak gegeven wordt voor het toekennen van intellectuele eigendomsrechten is dat dit bedrijven en onderzoekers aanspoort om toch dit risico te lopen. Een geslaagde en gepatenteerde ontdekking kan namelijk de mogelijke mislukkingen meer dan compenseren. Wat we in het Europese plan echter zien, is een socialisering van het risico en het privatiseren van de winst: de samenleving betaalt de kosten van het risicovolle onderzoek, eventuele winsten worden volledig opgestreken door privébedrijven.

Als Slow Science onderzoekers roepen we de EU dan ook op om de belangen van haar burgers voorop te stellen, niet die van de militaire industrie. Om het beleid niet te laten bepalen door de militaire lobby, maar zelf politieke verantwoordelijkheid te nemen en democratische controle toe te laten. Om onderzoek te financieren dat bijdraagt tot een duurzame en veilige toekomst van de EU en niet louter de bankrekeningen van de militaire industrie spijst.

https://www.mo.be/opinie/europese-subsidies-voor-wapenonderzoek-bedienen-vooral-militaire-industrie

 

Debate role of universities – Monday April 23rd at deBuren, Brussels

Dutch follows English

Dear all,

On Monday April 23rd , deBuren in collaboration with KU Leuven, UA, UGent and VUB are organizing a debate on the democratic legacy of 1968 and the role of universities then and now. The debate is organized as part of the doctoral school course “What does it mean to be a researcher in 21st century academia?”, but it is open to a broader audience. For everyone interested in slow science and/or the societal role of universities, this event is not to be missed!

You can find all relevant information via the website of deBuren: https://www.deburen.eu/programma/4603/de-democratische-erfenis-van-68-waar-staat-de-universiteit-vandaag

 

Practical information:

Monday April 23rd, 19h30-21h
deBuren
Leopoldstraat 6, Brussels

Tickets (5€/3€) are available through the website. The event is free for those who follow the workshop.

 

We hope to meet you there!

 

——–

Beste allen,

Aanstaande maandag organiseert deBuren in samenwerking met KU Leuven, UA, Ugent en VUB een debat over de democratische erfenis van 1968 en de rol van de universiteit, zowel toen als nu.

Het debat kadert in de doctoral school workshop “What does it mean to be a researcher in 21st century academia?” maar is open voor publiek. Voor iedereen die geïnteresseerd is in slow science en/of de maatschappelijke rol van universiteiten is dit een niet te missen evenement!

Meer informatie is te vinden op de website van deBuren: https://www.deburen.eu/programma/4603/de-democratische-erfenis-van-68-waar-staat-de-universiteit-vandaag

 

Praktische informatie:

Maandag 23 april, 19u30-21u
deBuren
Leopoldstraat 6, Brussel

Tickets (5€/3€) zijn te verkrijgen via de website. Het debat is gratis voor wie de workshop volgt.

 

We hopen jullie daar te mogen verwelkomen!